Vuile Rouw, blog 11. Ik rouw van jou

Vandaag rond lunchtijd, een jaar geleden, zag ik mijn moeder in dode lijve. Lijkt me een goeie dag om klaar te zijn met Vuile Rouw. Mijn stoornis heeft zich keurig aan haar criteria gehouden en ebt haar weg terug. Kan me niet eens meer voorstellen hoe ik was toen, er middenin. Mijn nieuwe attractie is de langdurig latente somber in de bek kijken. En zo meer vrolijke vat krijgen op mezelf. Doe ik samen met mijn praatmeneer, die psychiater is en aan chakra’s doet. Gaat lukken.

En wat een kutjaar. Met twee hoogstepunten. Het ene was in het huis van mijn moeder. Vlak voor de verstoring. Fanatiek ruimend kon ik in vriendschap het huis sluiten. De tweede is mijn opgedane schrijfblij. Kan zomaar zijn dat ik verder ga. Maar dan nieuw. Diepstepunt was tijdens een wandeling op Texel, in december. Ik weet nog precies waar. ‘Dit is het dan, hier moet ik ’t mee doen verder.’ Zo definitief uitzichtloos had ik mij nog nooit gehad. En mijn onvoorwaardelijkste middenpunt was en blijft Hans. Ook deze crisis bleef ie geduldig geschouderd naast me staan. Die heeft me toch een incasseringsvermogen. Af en toe loopt ie over. ‘Jij permitteert je wel erg veel, Vis’ boost ie dan. Klopt. Om me dan weer lief te vinden.

Wil Vuile Rouw wat warm uitwuiven. Een min of meer ode aan mijn moeder. Komt ook omdat ik een boek lees, over hoe het er aan toegaat, na de dood. Ga ik de boel toch wat ruimer van zien. Daarboven kiezen we als zielen bewust voor dit leven. Mijn moeder en ik hebben elkaar opgezocht. Daar geloof ik in. Ik wilde per sé incarneren in die ene buik. Ik had de lat lager kunnen leggen, of hoger. HIV-weesje in Tsjaad of een albino Aboriginal met Down. Maar dit moest het zijn, het contract. Deze moeder gaat mij voldragen, in woede baren en mij in haar versie van liefde grootdrillen. Met een vader die er niet kon zijn en een liefgekneusde zus. Later was er nog een zieltje dat deze kans wel zag zitten maar daar heeft mijn moeder bewust voor bedankt. Ik heb geluk gehad.

Dus, dank je wel ma, dat je mij dit leven hebt gegund. Oprecht, dank je wel. Want ik weet, als het aan jou had gelegen was je niet beschikbaar geweest als draagmoeder. Maar ja, op jouw beurt had je pa uitgekozen en die moest kinderen. De zwangerschap betekende denk ik jouw knieval voor het leven. Het leven uitzitten in razend slachtofferschap. Jouw doodsbang voor het leven won het van je boos. Wie weet was dat wel het plan van jouw ziel. Had ze gehoopt dat je boos genoeg was om toen voor jou te kiezen. Te genieten van de vrijheid. Misschien zelfs wel van ons. Maar nee. Je werd banger. Voor alles. En te boos om te accepteren. Het leven met pa. Zijn seksualiteit, zijn zeilen, zijn zijn. Je masker verhardde scheurloos in de hitte van jouw strijd.

Daarom ben ik bang dat je het er niet zo goed van af hebt gebracht, die 86 jaar hier. Tenminste, als ik afga op het boek over na de dood. Als je je in dit leven een beetje je best doet is na de dood niets om tegenop te zien. Dan wordt je wakker in de hogere sferen. En dat wil je. Negeer je de lessen die het leven je gul toewerpt, dan blijf je hangen in een lage sfeer. Vol duister karma. Daar zijn zielen zo in de zwarte war dat ze iedere hulp afwijzen. Lijkt me de plek voor mijn moeder. Gewoon rotsvast doortrotsen in een voorgeborchte. Zo gekweld dat het licht geen zin heeft om moeite te doen. Wie weet ga ik haar wel bezoeken, daar, als ik dood ben. Neem ik een bosje narcsissen mee en zo’n aardappelpannenkoek die we altijd deelden.

Ik denk dat ze daarboven tevreden knikkend kijken naar mijn noeste gedoetje hier. Zo van ‘het leek lang mis te gaan, had het eigenlijk een beetje opgegeven, maar hij pakt het nu leuk op.’ Best kans dat ik in een hogere sfeer beland. En ik laat genoeg liggen voor nog wat levens. Eerst in deze versie maar eens schaduwarm stabiel worden. De lat niet te hoog, is mijn devies. Na mijn dood mag ik dan even op frisse adem komen in een heelkamer. Vertelt het boek. Het weer is er altijd lente. En als ik ontslagen ben uit de heelkamer mag ik m’n eigen huisje bedenken. Een witblokkig bungalowtje met hout en glas wordt het. Met een strak gazonnetje om in te liggen en tweekleurige geurrozen. Heb ik nu ook. En een smotsig hondje dat bij me in bed slaapt. Ik draag lichte, wit wapperende kleren, want ik ben dan slank en dat staat heel tof. Spiritueel. En een baardje. Nooit gehad in dit leven.

Eenmaal gesetteld in mijn huisje, moet ik aan de slag. Dat is de deal. Je levensboek inzien, in hologramvorm. En ervan leren. Lijkt me ideaal, om terug te zien wat mijn geheugen zo gewiekst heeft gewist en gemist. Alles waar ik niet naar heb gekeken. Het zijn wat verstilde beelden en gevoelens die mijn geheugen prijsgeeft. Maar het leven vliedde lang gewoon door mij heen om zo weinig sporen na te laten. De kunst van het niet blijven plakken heb ik tot kunst verheven. In praktische zin heb ik er bar weinig aan, mijn geheugen. Vraag maar aan Hans en vriend Edu, met wie ik veel werk. Die blijft verbijsterd over wat ik een dag later al niet meer wil weten. Het leuke ervan is wel dat ik dezelfde dingen als nieuw ervaar. Ben ik weer net zo kindblij als de eerste of tweede keer dat ik die ene vogel of molen zie. ‘Ja, dat zei je de vorige keer ook’ zegt Hans dan ‘je bent in ieder geval consequent’.

Daarboven kun je kiezen, ga je nog een keer of blijf je hier. Dan ga je goede werken doen. Lijkt me stom. Lotgenoten helpen hun volgende aardse avontuur voor te bereiden. Krijg ik vast een groep met slachtoffers van emotioneel incest. Dacht het niet. Ik sta nu al te popelen om terug te gaan. Verder. Ondanks mijn weerstand tegen het leven wil ik juist wel. Om die weerstand op te heffen. Een keer zal dat lukken. En misschien dat ik dan blijf, dat ik dan wel genoegen neem met blij mijn wijze goedheid door de sferen strooien.

Dus ma, dank je wel voor alle lessen die je me, bewust en onbewust, hebt gegeven. Vooral dankzij jou ben ik nu hier. Je had een ondankbare taak op je genomen. Zeker omdat je geen idee had waarom je van pa en ons niet kreeg wat je wilde. Onvoorwaardelijke bewondering. En ook niet kreeg wat je nodig had. Onvoorwaardelijke liefde. Pa adoreerde je ontoereikend op zijn manier. Ik deed het best lang voorbeeldig. De eerste scheurtjes kwamen toen ik zestien was. Vind je mijn moeder niet geweldig? vroeg ik aan een vriendin toen een spontane lofzang uitbleef. ‘Ik vind haar eigenlijk nogal truttig’, was de reactie. Ik schrok beschaamd. Een ander bekende dat ze mijn vader veel sympathieker vond. Cognitieve dissonantie in haar zuiverste vorm. Geen idee wat ik daar mee moest, behalve dat ik wist dat ze het meende.

Het beeld wat jij en ik van jou hadden hielden wij samen kunstig hoog. Het was mijn houvast en jij had die voeding nodig. Samen tegen de wereld, in ieder geval tegen pa. En toen keerde ik me geleidelijk af van jou. Hoe kon ik? Eenzijdig ons contract verbreken en jou daar achterlaten. Dat ik ook zonder je kon, dat was mijn grootste verraad naar jou. Ik heb je hand nooit meer gepakt om je mee te nemen met mij. Te bang dat ik weer in je zou verdwijnen. Ik heb geen spijt, wel medelijden. Ook met mij.

En een hele dikke dank voor alle lol. Wat hebben wij gelachen. Om bizar, cynisch en grof. En om anderen. Genadeloos afzeiken. Niemand is veilig als wij eenmaal de zin te pakken hadden. We voelden ons zo verbonden door de lol. Ook samen met pa kon dat zo goed. Met een bek vol voer keihard lachen om eigenlijk niks. Heerlijk was dat. Is dat. De lachbubbel. Het zit in al mijn vriendschapen, altijd al. Het is jammer dat we stopten met lachen. Het droogde op tussen ons.

Ik heb geen spijt, want ik weet dat ik niet anders kon. Het is wel tragisch dat ik geen andere keuzes kon maken, hoe klein ook. Dat ik zo druk was met oorlog voeren dat ik de waarheid niet zag. De waarheid dat jij allang verloren had, van jezelf. Dat je kapot bent gegaan aan teleurstelling, angst, onbegrip en eenzaamheid. En dat ik dus veilig bij mij kon blijven in aanwezigheid van jou, als ik dat had gewild. Maar dat wilde ik niet. Zien.

Het lijkt me dus wel wat om je op te komen zoeken, waar je ook bent. Ik weet zeker dat je mijn licht herkent en me toelaat. En dan zal ik voelen waar ik nu een glimp van opvang in mijn hart. Dat ik je mis. Dat ik van je hou. Dat ik van je rouw.