Home » Artikelen » Vuile Rouw » Vuile Rouw, blog 3. Mooie oven

Vuile Rouw, blog 3. Mooie oven

door | 18 jan, 2021 | Vuile Rouw

Blog drie. Mooie Oven

Aandacht en applaus, mijn drugs. Dan voel ik dat ik er toe doe. Daarom vertrouwde ik mij niet, met dat geblog opeens. En dat druk met de reacties. Dus hoe fijn dat ik in de dagen na het vorige blog opluchting voelde. Een bevrijdend gevoel dat ik oké ben, met al mijn shit en gedoe. Hoe mooi is dat. Het weidse gebaar van het in de ether slingeren van de blogs en het intieme omarmen van mezelf die één beweging vormen.

Mooie oven

De dag voor de uitvaart, in een vluchtig lijkkamertje, neem ik afscheid van mijn moeder. Ik leg een narcis op haar favoriete pluistrui, en een stukje hout en een veer. Bij wijze van water wat druppels thee. Zo eer ik de vier elementen in mijn moeder. De narcis als symbool voor het razende vuur van haar narcisme, dat al haar water heeft verdampt. Niets stromends was er meer aan haar, niets zachts of gemakkelijks of liefs communicatiefs.

Daar, staand aan haar dode voeteneind, zeg ik de dingen die ik nooit heb gedurfd. Te bang dat ze zich van me afkeert. Nu de woorden wel komen vind ik mezelf niet eens een laffe hond. De dood ontdreigt en zo borrelt mijn onvoorbereide waarheid omhoog vanuit een zachte bron. Zonder een beetje te hard, te zacht, te serieus of te grappig. Ik vertel haar dat ik weet dat ik haar heb gekozen, uit miljoenen moeders. ‘Jij vormt mijn contract met hierboven. Ik heb dus veel te leren, over mezelf mogen zijn.’ Ik geef toe dat ik dankbaar ben dat ze niet ouder is geworden en ze een zachte dood heeft gehard. ‘Ik hou van je, maar ik kon het echt niet anders.’ Mijn afscheidje duurt een mooi kwartier. Samen met Hans sluit ik de kist. In mijn blij van het voorbij draai ik één van de houten moeren lam.

De uitvaart is intiem met vijftien mensen op anderhalve meter. Samen met de grijze lijkauto die het pad oprijdt komen ook mijn tranen. ‘Begin het huilen nu al’ zegt mijn zus. Ja dus, en nog harder als ik door de raampjes de kist zie, met het overdreven bloemstuk. Als de chauffeur uitstapt blijkt het een morsige vrouw met schuingehakte schoenen. Blijkbaar had ik een verwachting en zij voldoet ruimschoots niet. Weg zijn de tranen. Onzeker sta ik naast de auto, ik weet even niet wat nu. De vriendelijk getrainde uitvaartmeneer ziet mijn ongemak. ‘Michiel, je moet eigenlijk even meelopen, ze hebben hier écht een hele mooie oven’. Nee, schrik ik. Nee, dat wil ik niet. Ik loop achter hem aan en dwing Hans mee voor steun. Het moment dat ik de oven zie, zo verrassend hoog en van blauwglazen bouwstenen. Verwarring, ‘Ja, inderdaad, wat een mooie oven’. Ik zie in de meest concrete, banale realiteit de plek waar mijn moeder dadelijk in brand wordt gestoken. Er staan twee lekkere stoeltjes bij, die had ik ook graag niet gezien. Ik had het verbranden op een prettige conceptafstand willen houden. Slappe zak, zeg ik tegen mezelf.

Slappe zak dat ik laf meeloop. Mijn zus zei en deed nee. De uitvaartmeneer mocht van mij alleen de muziek op tijd aanzetten. Dat ik nu vol nee de oven mooi sta te vinden is compensatie. Anders zou hij zich misschien lullig afgewezen voelen. Slappe zak ook dat ik niet bij mijn moeder blijf als ze er in wordt geschoven. Dat is pas respect.

Dan, tijdens de uitvaart. Mijn oom verklapt dat hij ‘heel wat met haar te stellen heeft gehad in zijn jeugd… Maar geen kwaad woord over mijn zus!’ Hij blikt naar mijn zus en mij, denk ik, streng. Een bloedeloze waarschuwing die dient als zelfvergeving heeft onbedoeld effect. Mijn zus en ik kijken elkaar schrikhertig aan. ‘Oh jee’ lachen onze ogen trouw aan elkaar. Wij weten wat we gaan zeggen, ook van elkaar. Onze waarheid. En die kan best eens gevaarlijk dicht bij het ‘kwade woord’ komen. De paniekprikkel achter mijn ogen blijft, ook als mijn zus haar mooimoedige praatje doet. Ik kijk naar haar en hoor haar soms, bezig met als het mijn beurt is.

Als ik daar sta, één hand theatraal op de kist, check ik uit en treed ik op. Mijn praatje is mooi en eerlijk. ‘Ze had tot het allerlaatst nog haar eigen haar op haar eigen tanden’. Die had mijn moeder ook geestig gevonden. En trots was ze geweest, op het beeld van de oergezonde, sterkharde vrouw. Daar had ze immers een leven lang meedogenloos aan gewerkt. Blind voor het verschroeiende effect op mij, ons. ‘Het gemis aan de warme stroom tussen onze harten, aan verwachtingsloze vrolijkheid en blije dankbaarheid’. En dan mijn slotzin ‘Want dat is waar ik stiekem altijd naar hunkerde, dat jij trots op me zou zijn’. ‘Tsss, klinklare nonsense’  zou ze te hard sissen tegen haar buurmens. Ik eindig mijn praatje uitgeput van gespeelde kwetsbaarheid, met alleen maar druk met aandacht en het juiste effect. ‘Kakzooi’, denk ik terwijl ik mezelf hierop betrap ‘ik ben precies ma.’

Op de grond, voor de kist en in de zon, staan twintig keurig witte potjes narcissen. Een overvloed aan gele gloed, als schone zacht voor moeie ogen. Heb ik vier tuincentra voor afgelopen, het blijkt ook einde narcistijd. Iedereen krijgt na afloop zo’n potje mee. Het is mijn manier om het narcisme van mijn moeder een plek te geven op haar uitvaart. In het bloemstuk konden ze niet, want ‘de stelen laten zich niet steken’. Dat vind ik grappig symbolisch.

‘Heel mooi Michiel, wat je hebt gezegd’ zei mijn oom. Die kwam binnen.

Over de artikelen

Op deze pagina staan enkele van mijn artikelen. Zijn zijn bedoeld om jou te informeren, je inspireren en te stimuleren om nog bewuster te worden van wie jij in wezen bent. Als mens en als man. Veel leesplezier.

Gerelateerde artikelen

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tweet
Share
Share
Pin