Marjan. Zo heet mijn zus. Hiervoor schrijf ik steeds ‘mijn zus’. Dat merkte ik zelf op. En dat ik dat dus zo wilde. ‘Mijn zus’ biedt bescherming waar ‘Marjan’ te bloot voelt. Voor haar.  

‘Ik wilde geen kinderen maar je vader moest zo nodig aantonen dat ie viriel is.’ En een meisje, een concurrent, wilde ze al zeker niet. Onder dit dubbel onwelkome gesternte van Het Zwarte Schaap besloot Marjan te komen. Ze was twee toen een buurvrouw haar zorg uitte. ‘Dat meisje heeft een broertje of een zusje nodig.’ Ha! Moet ik gedacht hebben, die is voor mij. Het Gouden Kind gleed gedwee de wereld in. Letterlijk meer dan welkom. Zo groeiden we op in tegengestelde onveiligheid. Marjan afgestoten en ik opgeslokt. Hand in hand, ik voorop zodra ik kon. Kom maar. En Marjan, in haar ongezien, lukte het om een identiteit te ontwikkelen. Hoe broos en bekrast ook, mijn voorbeeld want ik was leeg. We hadden elkaar hard nodig. Nog steeds.

Blog zes. Strooien

‘Absoluut niet!’ Of Marjan de as van pa en ma in huis wil. Nou, ik ook niet. Nog geen dag. Dat wordt dus strooien voordat de urnen het huis uit moeten, als het verkocht is. Maar, tot dan staan ze fijn naast elkaar, uit ons zicht in de enorme erfkast van opa en oma. Type graftombe. Moet ook nog weg. Pa stond er 13 jaar op, nadrukkelijk uit het zicht van ma met uitzicht op de sloot. Beter.

Mijn moeder haal ik op, ze zit in een doos met handige strooischuif. ‘Zeker wel moeilijk hé, om hier weer te zijn?’ vraagt de crematoriante. Ik voel me betrapt en zij ziet het. ‘Haal ik het vanmiddag even snel op, ga toch naar Gorkum. Zet ik ‘r gelijk in de kast, naast pa’. Marjan is dankbaar voor mijn kordate asactie. En nu wordt er verwacht dat ik iets voel. ‘Nee hoor, ik vond het een mooie uitvaart, eigenlijk alleen maar goede herinneringen…. Is dat ‘r?’ oogwijs ik naar de doos die tactvol aan haar kant staat. Ze weet even minder raad met mijn luchtig. Nee, ik hoef niets te drinken. Dan duwt ze het formulier naar me toe en binnen vijf minuten ligt ma achter in de auto. Voor de zekerheid check ik of mijn nonchalant echt is. Ja. Mooi. Door.

‘Ik vind wat’ zegt Marjan. Ik spring op alert, want zo gaat dat bij ons. Voorzichtig in wat we willen uit bang voor de afwijzing. Ze wil oom Henk en tante Tineke bij het strooien. Had ik nooit aan gedacht. Ben familieavers en niet attent. Marjan weet dat en bereidt zich voor op mijn nee. Gadver, mensen, netjes kletsen. Gedoe ook. En ik vind het een goed idee is. Heel goed zelfs. Het klopt. ‘Ga je gezellig mee strooien?’ vraag ik aan tante Tineke. Die heeft er wel oren naar, want ze durfde niet naar de uitvaart. Ze hoopt alleen dat we niet van die ‘eeuwig brute Vissergrapjes’ gaan maken. Dat beloof ik niet, ze mag er al bij zijn.

Met een mes, kokend water en iets uit de gereedschapskist val ik mijn vaders’ urn aan. Slechts wat krassen op het groene marmer. Het is komisch, dit, en ik lach hardop in mijn onhandige eentje. Ik bel het crematorium waar we het ding hebben gekocht. Langskomen mag, maar geen garantie dat ze ‘m open krijgen. Dat is goed genoeg vind ik, want hoe anders en Marjan raakt het ding niet aan. Wel een uur rijden, kakzooi. Maar ik moet pa’s strooigoed eruit krijgen. ‘Dan gooi je ‘m toch kapot, in een tas of zo?’ Hans weer, altijd praktisch wakker. Ik zucht blij en hang op, fijn, ga ik gelijk doen. Mijn oog valt op de knalgele Nettorama tas. Urn erin en gooien maar. Wel buiten op het terras, want wie weet of zo, en van niet te hoog, half metertje eerst maar. En ja hoor! Urn in één keer in drie stukken en de as keurig in haar zak. Vrolijk van het lukken stuur ik het stukke-urn-in-Nettormatas-plaatje naar Hans en Marjan. Pa had dit heel grapvol gevonden. Ik giet ‘m uit zijn zak in de grootste apothekersspot. En die gaat weer terug in de kast, naast ma.

Strooidag valt op hun trouwdag, 18 juli. Marjan kwam erop, briljant. Dankbare kinderen plannen dat zo, bij ons komt het uit met de verkoop van het huis. Het strooiritueel op die steiger bij Loevestein is zo fraai dat ik er wat ongemakkelijk van ben. Dat past niet bij ons, wij zijn trots decorumloos. Marjan heeft twee liefste gedroogdebloemenbootjes geregeld en ma is voor de gelegenheid verhuisd naar een eigengebakte urn. Weer Marjan. Ik heb rozenblaadjes uit eigen tuin mee. Tante Tineke een gedicht en twee zonnebloemen. Ze krijgen ieder een eigen bootje, dat vind ik fijn voor pa, die zeilde het liefst in z’n eentje. Met een speciale verlengde pollepel vlijen we de bootjes te water. Ze verdwijnen gelijk onder de steiger, uit het zicht. Zijn ze gewend. Maar Marjan pollepelt ze net zo lang tot ze op de goede stroom zitten. En dan glijden ze getweeën de rivier op. Ma voor. Mijn rozenblaadjes volgen feestelijk. Ontroerd kijk ik het langzaam stromende beeld na en we verheugbazen ons over lange dobbertijd. Tot mijn vader wordt overvaren door een vrachtschip. Marjan laat ondertussen de rest van mijn vader de rivier in glijden en ik doe mijn moeder. Mensenas zinkt, zonder het kortste afscheidsdrijfje. Dat wisten we niet.

Ter compensatie van mijn beperkte aandeel in het ritueel dacht ik, schrijf ik iets en lees het voor. Er kwam wat uit maar Hans en Marjan vonden het niet geschikt, voor dat moment. Ze vonden het wel mooi, en verdrietig. Komt ie.

En dan is het nu
Verstrooide ouders
Nooit wezenlijk gehecht
Mijn mooie maskermoeder
Voor ieder een ander
En ook één voor zichzelf
Want de waarheid kon niet gezien
Door ogen van gewapend staal
Altijd bóven, want gelijk was onder
En onder niet te doen
Jouw vluchtheuvel vanwaar je kon bepalen
Wat, wie, wanneer en hoe
Maar zelden het wezenlijke waarom

Ach, ma
Gewrongen in een mal van overleven door te heersen
Zonder eigen wezenlijke wil
Je zei, ik ben de enige bij wie ik mij kan zijn
Maar ook dat was niet zo
Ik gaf je het podium van de illusie
Ik wist hoe ik je van wapens kon verlichten
Omdat dat is wat ik doe
Ontwapenen, met als doel ongetroffen te zijn
Want nooit als mijn zus, schietschijf van onverbloemde woede

Ik denk, je kon niet meer
Te hard geworden door teleurgesteld
Door mij, zeker en vooral door mij
Want ik kon niet meer,
Ik kon het niet meer
Je bloed keerde zich tegen je
Uitgeput bloed
Op je zwakst ontmaskerd gaf je toe: ik ben veel te bepalend geweest, vreselijk egoïstisch
Om het je daarna niet meer te herinneren
Ach ma, ik mis je ook
En ik weet, maar nu nog niet
Er komt het schrijven over lief en lach
En dan mag je gaan

En dan pa
Die vreemde ziel
Wat kwam hij hier doen?
Fietsen maken, zeilen en onbegrepen zijn
De veilige vader die me niet kon beschermen
Omdat ook hij in de ban was
En niets snapte van wat mens zijn is
Apotheker tegen wil met doorzettingsvermogen
En weinig dank

Ik heb dromen over mijn leven als rockster
Zei je eens
In het licht gezien, je stem laten horen
Wat een fijne droom, leef hem maar
De volgende keer
Wij zijn oké
En hoe fijn, in je dood bén je er
Mijn rug ontspant want jij beschermt
Ga maar, zeg je, doe maar, leef
Doe maar wat ik niet kon