‘Als ik je één ding mocht gunnen’ zegt Hans ‘dan is het wel dat je ’s morgens opstaat met zin in de dag.’ Da’s net zo lief als wijs. Want dat betekent een einde aan mijn woelige slaapleven en de oorzaak daar weer van. Ik vind mijn ochtendmineur normaal en ben er op gesteld. Zozeer dat ik opzie tegen die zin. Verslaafd dus aan mijn tegenzin-in-de-dag. Zelfs het dagzicht op een picknick in zomergras op olijke kleedjes met lieflelijke hondjes en ijs met aardbeien kan dat niet verpesten. En doen alsof de dag me guitig aanblikt lukt niet. Voelt alsof ik mezelf iets ontzeg, het recht om me vandaag onder de radar te bewegen. Moet je maar gewoon niet meer vragen’ tip ik Hans als hij weer ‘brakke betje’, ‘matig’ of ‘nee, kut’ als antwoord krijgt op lekker geslapen? Ik durf het bijna niet te zien, mijn gemanipuleer. Schaamvol, en ik hou het fanatiek in staand. ‘Ga maar uit van het ergste, dan kan het alleen maar meevallen’ was één van de waarheden van mijn moeder. Ik gun Hans dat ik ’s morgens opsta met zin in de dag.  

September.
We gaan ma’s sieraden verkopen en hebben er zin in. Op naar de juwelier. Blijkt een stereotype walgje in een spijkerbroekje met hoge pijpjes en blote voetjes in goudgegespte schoentjes. Maar goed, we krijgen bijna 3000 euro van hem en dat is meer dan we dachten. Ma gaf niets om opsmuk en had dus ook niet veel. We hebben geluk met de zilverprijs blijkt. Weten wij veel. Net zoals dat antiek niets meer doet. Uiteindelijk waren we blij dat iemand de enorme graftombekast op wilde halen. Tien jaar terug hadden we er nog 10.000 voor kunnen krijgen.

In een soort van puberblij lopen we met ieder 1500 cash in de jaszak terug door Gorkum. ‘Hé Marjan! Goed je even te zien. Hoe is ‘t dan met je?’ Kennis uit de buurt, die het weet van ma. Snel doet ze haar condoleanceblik op. Hoofd iets schuin, zo van: ik luister naar je, het gaat nu even alleen om jou. Als antwoord laat Marjan haar pak geld zien. ‘Net de sieraden van mijn moeder verpatst’. Luid, duidelijk en ohne bloos. ‘Oké, ja, dat is wel fijn’ of zoiets zei ze. ‘Maar hoe is het nou met je? Ben je erg verdrietig?’ ‘Nee, ik ben eigenlijk alleen maar opgelucht’.

Marjan kan dat. Dit zeggen zonder bang te zijn dat ma haar hoort. Ik kijk van schrik snel over mijn schouder. We weten dat Marjan al lang meer afstand heeft genomen. Dat er sowieso veel afstand was. Waardoor dit nu voor haar makkelijker is. Ik voel ook opluchting, zeker. Maar als ik dat tegen iemand zeg, voelt het als een bekentenis en verwacht ik straf. Alsof mijn moeder achter me staat. Nog steeds alert dus. Ik baal er van, dat ik loop te rouwklooien en Marjan niet. Liever bedacht ik het andersom. En het klopt. Mijn moeder heeft haar vanaf het begin afgewezen. ‘Marjan is dwars geboren’ was haar pijnlijke verklaring. En, die emotionele afstand, hoe schrijnend ook, is nu een voordeel. En ik vind het ook fijn voor haar. Daar ben ik dan wat opgelucht over.

Al jaren praat ik lelijk over mijn moeder. Heel lelijk. Dat ze een vreselijk mens is, uiterst onsympathiek. Dat laatste zou ik wetenschappelijk kunnen aantonen met data. En iedereen zou zeggen: ja, onsympathiek. Geestig ook. En ludiek, anders, maar onbetwist onsympathiek. Veel en graag deed ik het, voorbeelden geven van haar vreselijkheid. Ongeloof en verbazing. Dat is waar ik dan op uit ben. Dat je het verhaal thuis in bed met je lief deelt en dan medelijden met me hebt. En respect dat ik er toch nog zo goed uit ben gekomen.

Gisteren nog. Ik vertelde weer een bizar maverhaal. Het voelde schuldig. Dat doet het altijd maar nu ze dood is meer. Er is geen mogelijkheid meer om het goed te maken. Door langs te gaan, rabarbertaartjes mee van Le Fournil en even lief te doen. Of op z’n minst niet onaardig. Zo werkte dat. Een lelijk evenwicht had ik uit al mijn onmacht gefabriceerd. Dit is de deal. Ik kom langs en verdraag je, ik zeg niet hoe ik over je denk en voel. In ruil daarvoor maak ik je zwart, achter je rug om. Zodat ik alsnog aandacht krijg. Als het niet van jou komt, dan door jou.

Al iets van vijftien jaar had ik de rollen omgedraaid en bepaalde ik. Althans voor het oog. Mijn moeder was afhankelijk van mijn bereidheid om langs te komen. En ik genoot van die macht. Heel bewust. Speelde ermee om haar te straffen, en ze begreep er niets van. Mij een zorg. En nu zie ik: die macht was onecht. Uiteindelijk ben ik altijd afhankelijk gebleven van mijn verlangen naar haar gezien. En heb ik alle mogelijkheden hiertoe vakkundig om zeep geholpen. Mijn moeder zakte verder weg in haar benepen eenzaamheid en ik in mijn kwaaie bunker.

Komt weer een stukje terug uit een gedicht van vijf jaar terug. Zit ook wat hoop in.

IK STA HIER
In nog onverharde breekbaarheid
Het hart schrikvlindert zwaar in zwakke kracht
Gewend gewapend voor de terugslag op getraliede moederogen
gevangen in de machtigste angst
Smijt mij in mijn schuil en ik herbouw trouw mijn fort
op de hunkering van mijn kinderstilte

Ontschuilde onschuld! Gedragen in het vreugdebekken van mijn wezen
Ik verkleed me als een bloem en dans de Zilver met de leeuw
Samen huillachen met de wolf om hervonden kracht
Ik adem mijn ogen open en aanschouw, ontblind en onmetelijk zacht
De eendere schaduw van de school, de moeder
Hortend in heilige woede ontstrengel ik mij van jou
Langs de ijle lijnen van mijn waarheid

Langs de ijle lijnen van mijn waarheid, die vind ik prachtig. Hij klopt zo, dat ik schaamschuifelend meer van mijn waarheid laat horen. En dat dit oplucht. Meer oplucht dan dat ze er niet meer is.