Net terug van mijn praatmeneer. Ben dus eigenaar van een depressie. Niet zo’n levensbenemende acute zwartjoekel die alles opeist. Mijne is een ondergrondse slinkse shapeshifter. Een Barbapapa in schaduwkleuren. En omdat ik ‘m al zo lang ken herken ik hem niet. Dat is zijn grootste truc, dat de eigenaar de stemmingen normaal vindt. Verslaafd aan de somberte. En, ook zo slim, Barbableeeh doet soms een dikke dut en dan kleurt het leven even. Zie je wel, niks aan t handje. En ondertussen. Een soort sluipkidnapper, die je zachtjes verder je eigen put in schuift. Tot je een aanpassingsstoornis krijgt.

En ondertussen. Heb ik uit mijn vergaarde schaamterijkdom strategieën gesmeed. Om mijn kwetsbaarheid achter te verstoppen. Mijn oudste wapen is niet kijken. Gewoon, nooit naar kijken. Omdat de confrontatie met de waarheid te pijnlijk is. Is anders dan wegkijken. Ik was er vroeg bij, misschien wel in de wieg. Zo voel ik het tijdens de sessie, baby op de rug in een bedje, armpjes en beentjes wurmend naar aanraking, bevestiging van zijn bestaan. En blèren maar. Verstard weerhaakt mijn blik zich in het duister voor me, om niet te zien dat mamma niet achter me staat. Radeloos lig ik daar. ‘Dit, Michiel, is jouw existentiële angst’ legt hij uit. Vandaag mag ik verder met de beweging, tot waar ik kan. Ik draai me om en verhoud me tot de leegte. Die blijkt ook voedend. Een klein stapje. Mijn knieën doen nog niet mee dus ik zak door ze heen. Als ik weer sta doen we iets met chakra’s en handen. Het herijken van jezelf noemt hij het. Dat mijn hart van mij is. Godverdomme wat is dit fijn, blaas ik luid.   

Vuile Rouw, blog tien. Schijtschroom

December.
Ik kijk graag naar kakkende honden. Aandoenlijk vind ik het. En bevredigend, het moment dat de drol loskomt van de hond. Omdat ik er zo’n graagte in heb, heb ik een theorie. Iep, ons ene hondje, kakt als ze moet. Ze stopt, kromt haar rug en daar komt ie. Ze kijkt je onbevangen aan en is de drol gelegd, doet een blije stuif vooruit. De andere, Wombat, heeft schijtschroom. Die doet ‘t het liefst uit jouw zicht. En er bestaat een exacte legplek voor iedere drol. De selectiecriteria hiervan zijn even onnavolgbaar en duidelijk. De drol kiest de plek, Wombat zelf heeft niets in te brengen. Behalve de drol zelf. Soms strompelt ie gekromd door de bosjes en kijkt ie me aan met ‘ja, ik weet t ook niet hoor.’ Een drolgestuurde hond noem ik dat.

Wat voor hond zou ik zijn? Eentje zonder schijtschroom, ik weet het zeker. Het verschil met Iep, ik zou met opzet voor je voeten kakken. Het lijf stijf van schaam en schroom zou ik je kromruggend aanblikken. In volstrakke provocatie. Zodat jij snel wegkijkt. Uit ongemak. Ik win, zo lijkt het. Niemand die zichzelf zó enthousiast en grenzeloos te kakken kan zetten als ik. Grof, luid en vreselijk geestig. Ook dit is een strategie om mijn kwetsbaarheid te verbergen. Zoals Wombat me terugtrekken onder een struik en wegkijken, dat is te kwetsbaar. Die zichtbare schaamte. Het is belangrijk om je in schaamrijke situaties te overschreeuwen en te doen alsof je onschendbaar bent. Door de ander zich voor je laten schamen.

Heb ik van mijn moeder. Iedereen luidruchtig op afstand houden. Op afstand van mijn gevoelige, serieuze kant. Ik had het al jong geleerd en gezien. Zo doe je dat. Mijn moeder was hierin de onbetwiste Koningin. Met haar haviksogen observeerde ze, alert en klaar voor de aanval. En die kwam. Als je dacht dat ze luisterde was ze al observerend haar oordelen aan het slijpen tot een vinnig offensief. Zodra ze die had, smakte ze die in je gezicht. Ik was als kind altijd in een staat van paraat en ik doe hetzelfde bij anderen. Met groter succes, want ik heb de gunfactor ontwikkeld waardoor ik overal mee wegkom.

Een recentere onkwetsbaarheidstruc is koketteren met zelfkennis. Op mijn opleiding tot levenstherapeut werd ik geroemd om mijn ‘scherpe interne waarnemer’. Ik eis dat ik mij begrijp. Dat ik het waarom snap van gedachten en gevoelens. Waarom ik me zo gedraag. Zeker als het lelijk is, ik moet het weten. Het risico dat jij mij eerder doorhebt dan ikzelf is niet de dragen. De schaamte. Dan ik je niet vóór was, dat ik even ‘off guard’ ben geweest. Het heeft me een tijdje verbaasd dat ik niets deed met mijn indrukwekkende verzameling aan zelfinzicht. Dat ik het niet omzette in ander, mooier gedrag. Maar daar gaat het helemaal niet om. De aanval voor zijn, dat is het doel. Mezelf nietsontziend fileren opdat ik onkwetsbaar wordt. Dat áls je met iets komt, ik het al lang wist. En dan komt mijn taal eraan, nog zo’n wapen.

Soms schikken mensen van mijn eerlijkheid over mij. Ik betover mensen met mijn woorden. Die Michiel, wat een bijzondere man, zo gevoelig, zo zelfbewust. Misschien. Maar kwetsbaar, echt niet. Ik vertel wat ik, heel alleen, heb uitgekauwd, doorgeslikt, opgeboerd, herkauwd en uitgescheten. Het verschil tussen vertellen en delen. Met delen geef ik iets van mij bloot. De ander mag er als het ware ín kijken, er aan zitten en er iets aan toevoegen. Nooit. Ik vertel, en dat betekent dat ik bepaal wat je ziet en verder, afblijven. Het lijkt op delen door de zachte woorden, mijn intonatie en die blik. Je voelt je bijzonder en gezien. Ik maak er een speciaal moment van. Voor jou. Ik spin het web zorgvuldig, afgestemd op de ander. Een tot in perfectie geslepen truc van mij om gezien te worden. Om via de ander bevestigd te krijgen dat ik de moeite waard ben. Door de ander iets schijnbaar waardevols te geven, ontvang ik bewondering en dankbaarheid. Voeding. En zo geen risico te lopen op jouw afwijzing van mijn kwetsbaarheid.

Op school gebeurde het natuurlijk, dat ik betrapt werd. Een belangrijke les was mijn eerste zelfevaluatie. Ik bleek mezelf op alle punten hoger te scoren dan de rest.  Na het lezen, in de klas, werd ik klein, koud en stil. Ik was in schaamshock. Toen huilen. En ik deelde wat ik had gelezen. Ze begrepen het wel, dat ik mezelf boven de rest had geplaatst als verdediging. Een meerderwaardigheidscomplex. Nooit zal ik dit vergeten, en ik hoop dat ik er ooit zonder schaamte aan kan denken.