Ik wist het even niet, waar dit schrijfsel over moest gaan. Gewoon de chronologische volgende, dan is het de beurt van de zomer. Vakantie. Of een ingelaste over de onlangse verrassing dat ik een aanpassingsstoornis heb gehad. Eerst maar beide afschrijven, dacht ik in afwachting van mijn besluit. Het werd deze. Het risico op minder jubels zorgde voor de twijfel, ik moet eerlijk zijn. Die gaan vooral naar mijn luchtigere schrijfsels. Maar, geen gezwalk, dit is wat ik wil vertellen. 

Al vanaf die ene april, toen mijn moeder dood neerviel, roert het leven in mij anders. Tot voor kort verdringdroeg ik het als een onfortuinlijke smelting van rouw en corona. Maar, dat is niet waar. Rouw is onfijn met schone pijn, en fases en wissels. Zoiets als bij mijn vader. Maar dit, dit is vuil, fulltime. Daarom ging ik ook schrijven. Om woorden te treffen voor wat er er in godsnaam met me aan de hand is. Dat is ongelukt, al is mijn schrijven fijn. En, schrijfsel 5 heeft indirect wel tot ontmaskering geleid. Het waren de woorden ‘DSM stoornis’. Marjan ging aan de Google en kwam bij me terug met ‘aanpassingsstoornis’. Plopsa. Dat is wat ik had, van juni tot en met december. Een aanpassingsstoornis. Zeven maanden heb ik onaangepast gereageerd op de dood van mijn moeder.

Ik citeer rommelig van www.ggzstandaarden.nl:
‘Aanpassingsstoornis wordt in de DSM V gedefinieerd als emotionele en gedragsmatige symptomen die binnen drie maanden ontstaan als reactie op een aanwijsbare stressor. De diagnose kan bij rouw worden toegekend wanneer de verwerking van het verlies stagneert en samengaat met

  • een duidelijke lijdensdruk die niet in verhouding staat met de ernst of intensiteit van de stressor
  • significante beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

. Ten minste drie van de volgende klachten zijn aanwezig

  • Moeheid 
  • Gestoorde of onrustige slaap (en, niet of)
  • Prikkelbaarheid (‘Hou je bek en sterf’ is mijn nummer 1 schreeuwgedachte)
  • Niet tegen drukte/herrie kunnen (Na de boodschappen moet ik even geoordopt tegen Hans aan liggen)
  • Emotionele labiliteit 
  • Piekeren 
  • Zich gejaagd voelen 
  • Concentratieproblemen en/of vergeetachtigheid (en, duidelijk en)
  • Verdraagt geen oogcontact (eigen toevoeging)

Zodra de stressor of de gevolgen daarvan zijn verdwenen, persisteren de symptomen niet langer dan nog eens zes maanden.

Aanpassingsstoornis blijkt dus psychiatrisch voor Vuile Rouw. Tjonge, denk ik de eerste dagen. Nooit aan gedacht dat ik een heuse stoornis had, daar onder mijn lijdende leden. Het stelt wel wat gerust. En het confronteert. Dat vooral. Ik ben iemand die een psychische stoornis kan ontwikkelen. Het voegt iets onevenwichtigs toe aan mijn zelfbeeld.

Die klinische DSM-omschrijving, ik lees ‘m en denk dan dat jullie denken: ‘Oké, klinkt klote, een korte, milde burnout. Maar lijkt een soort van te doen. Heb trouwens die klachten zelf ook.’ Maar jij mag helemaal niet denken dat het meeviel. Ik ben van het klagen en misdragen en bidden voor aandacht. Ik wil medelijden. ‘Michiel, you are a professional victim’ vatte Enrique mij ooit samen. Daarom heb ik nu onprofessioneel uit vier schrijfsels slechts enkele rake stukjes gekozen voor deze ene blog. Wat kleur op de stoornis.

Juni. Ben ik met iemand, voel ik me alrap heftig hol. Alleen alleen lukt het om op te laden, tot het niveau van overleven Daar waar geen verwachting leeft toef ik op z’n best. Zelfs een scharrelende tuinHans houdt mijn systeem op aan. Iedereen uit mijn wijk, optiefen. Ik wil op de bodem van de put die ik ben. Met opgetrokken knieën en daar niets doen. Want het is rauw, scherp en groot in mij. Ik ben de binnenkant van mijn ribbenkast. Alsof er met het grofste schuurpapier woest en nietsontziend op is geklust. Tot flardens geschaafd. Doet me denken aan een stukje gedicht voor school (geschreven voor andere crisis). Schaamte verwurgt mijn waarklank in een ijsscherpe binnenschreeuw/ Met angstschuw hart keer ik mij om en weet/ Mijn weg terug is tektonisch verschokt naar een ander leven/ Buikbloedend ben ik op eigen marmergrond gesmeten/ Mijn wezen in doodvrezende grimas graaiend naar afwezig houvast/ In botgebroken dans klauw ik ongericht/ Door de zwartijle leegte van mijn alleen/ Is daar iemand? Fluisterschreeuw ik/ Is daar iemand?

Nog een keer juni. I don’t want to give anymore, huil ik tegen Enrique. Hij vindt het allemaal maar good news. Een verfrissend perspectief. I didn’t realize that, zei ik. Hij vertaalt mijn staat van alleenzucht, völlig abgeknudelt en werkschuw zijn als een gezonde reactie op mijn moeders dood. Dat ik me finally kan gaan vullen met mezelf. Nu het gevaar geweken is. Ik voel me twee stukken beter om te horen dat het good news is. Hans lieft zich ondertussen uit de naad, brengt koffie op bed en blijft maar van me houden. Hoe dan.

September. I am losing it, wanhoop ik tegen Enrique. What are you losing? Nou, gewoon, hope, myself, life. Mijn weerstand tegen het leven ruikt de overwinning. Verwoestend voelt het, dat ik mezelf aan het afbrokkelen ben. Dit is het dan, voortaan, deze staat van kwartbakken onzijn. Mijn depressie staat in volle bloei en riekt goorst. Stukje uit een ander gedicht: Moeder rampspoedt gebiedende wijs in mijn binnenhoofd/ Treedt terug en af, jij domme hond, wat weet jij nou van jouw leven. Enrique vindt het tijd om te zoeken naar mijn ‘pantry of liveliness’. Gevonden. Een bloedeloos jongetje dat nog gevoed moet worden via de navelstreng, die huist in mijn pantry. Ik schrik ervan, maar dan! Langzaam laat ik het warme leven toe, krijg wat roze en dan bewegen de armpjes en beentjes. Onvast knakt het hoofdje naar achteren en de oogjes gaan open. Hallo, lieverd. Doe maar rustig aan, ik ben je vader en je moeder en ik vind je lief. Just in time, vindt Enrique. Just in time.

Oktober. Enrique vraagt of hij even met de stem van mijn moeder in mij mag praten. You just listen, strengt hij. Be my guest. Hij blijkt niet uit op een dialoog. Your job here is done, you are dead. Go now, please. Gewoon, zonder handschoenen vraagt hij de stem om op te tiefen. Vriendelijk en respectvol, alsof hij haar een gunst verleent. En zomaar, zonder drama, pakt de stem haar vele biezen. Een cleane moederuitdrijving. Briljant vind ik het. Hem. De volgende dag voel ik de opluchting van geen gesneer over mijn slap en aanstel, over beter en best en niets zelf kunnen. Laagje voor laagje vul ik mij met vertrouwen in mij, dat ik het kan. Leven zonder handrem.

December. Ik ben rustiger geworden, achter op mijn rug. Alsof het daar fracties losser en ruimer is geworden nu ik mijn moeder loslaat, beetje bij beetje. Zelfs dat ene strakke plekje tussen mijn schouderbladen lijkt z’n vel te laten hangen. He he, lijkt die plek te verzuchten, het mag, ik word niet meer bespied. Na 53 jaar 24/7 rug-alert te zijn geweest. Altijd schrap voor een aanval, voor die kwaaie eenrichtingslaserblik van haar.

Januari. Mijn moeder leefde nog volop in galop in mij na haar dood. Wat had ik ook bedacht, na 54 jaar van verkleving. Nou, dat ik de afgelopen 15 jaar de vrouwschappij van mijn moeder in mij had gesmoord ten gunste van mijn zelfschappij. Langdurig kaltstellen en dan een soepele machtsoverdracht, dat had ik bedacht. Maar meer dan ik wil is mijn wezen onvermoeid vervlochten gebleven met haar harde kern. Op levenslange schaarste groeien diepe droge wortels, zoiets. ‘Je bent het allerbelangrijkste in mijn leven, Chiel. Als je dat maar onthoudt. Er hoeft niemand meer te komen, als jij maar af en toe bij me bent, dan is alles goed.’ Dat zei ze, en meende ze. Het was haar waarheid. En terwijl dat waar was trakteerde ze me op afkeurende, teleurgestelde blikken, blikken vol machteloos verwijt. Dat is een verwarrende boodschap voor een kind, al is ie in de 50.

Het beeld van schrale grond waarin diepe, droge wortels reiken naar voeding helpt om te accepteren dat ik een aanpassingsstoornis heb ontwikkeld. En ik schaam me.